In de duisternis scheurt een taxi op een verlaten baan. Links en rechts gaapt het oneindige niets. In de verte schitteren zwakke lichtjes van een traditioneel dorpje. De autoradio getoblast de zwoele Afrikaanse ritmes van de Funana en de Batuk. Dit is een andere wereld.
Dit is Kaapverdië.
Overal zie je de plaatselijke bevolking heupwiegend bewegen als slangen, alsof ze plots in trance raken. De Kaapverdische harten kloppen op het ritme van de beat. Middenin het feestgedruis knoop ik een gesprek aan met Anne Seiler. De Duitse trouwde met een Kaapverdiaan en woont op het eiland Sal met haar twee kindjes. Anne is een zangeres die graag optreedt tijdens carnaval. “Zo’n feesten hebben ze niet in Europa, maar de Kaapverdische muziek geraakt wel stilaan ingeburgerd. De groep aanhangers van Kaapverdische muziek groeit sterk in Europa, dankzij hun twee begeesterde vertegenwoordigers”, vertelt Anne. De negenentwintigjarige muzieksensatie Suzanna Lubrano, een Rotterdamse met Kaapverdiaanse roots, voert de Zouk van het eiland Sao Tiago naar Europa. Dit jaar wordt haar vierde album uitgegeven. De bekendste barefoot diva, Cesaria Evora, is afkomstig uit Mindelo, de hoofdstad van Sao Vincente. Na haar doorbraak brengt ze de inheemse spirit de wereld rond. Ze zingt in haar Morna’s over Sodade, Creools voor weemoed. De Morna, ontstaan uit een mix van de Portugese Fado en Afrikaanse ritmes, is een bijzondere uitdrukking van de Kaapverdiaanse soul. “Het wordt traditioneel gespeeld op een akoestische gitaar, de viool en de minuscule cavaquinho. Deze kleine gitaar wordt alleen in Portugal, Brazilië en Kaapverdië bespeeld”, zegt Anne. Er zijn ook nog de populaire Funana en Batuk dansen, het traditionele ritme van het zwarte eiland Sao Tiago.
Feesten om te vergeten
Met Ticiana Aline Fortes Mota, de negentienjarige hotelanimatrice uit het cultuureiland Sao Vincente, loop ik naar wat de dorpskern van Santa Maria moet voorstellen. Het is 21 februari, carnaval op Kaapverdië. In de verte staat een menigte uitbundig te roepen en te dansen. De bevolking bereidt dit feest al vier weken voor. Carnaval is een big deal, men heeft niets anders dan feesten om de armoede te vergeten. Elk dorp showt met een praalwagen waarop een vrouw in een kleurige Braziliaanse carnavaljurk staat. Iedereen is verkleed, de baby’s incluis. Vandaag eet iedereen steevast een feestmaal. Hieronder valt ook het nationale gerecht van Kaapverdië: cachupa, een mengeling van verschillende kliekjes groenten, kip en vlees. De lokale rum Grogue de Cabo Verde vloeit rijkelijk en het feest komt nu echt op gang. “Drinkwater is hier waardevoller dan Grogue”, benadrukt Ticiana. Plots duiken filmbeelden op: Afrikaanse vrouwen halen tientallen kilometers verder, uit een bron, kostbaar water. “Hier trekken de vrouwen elke dag met grote zandkleurige kuipen naar de hoofdbaan, wachtend op een vrachtwagen die water uit flessen aanvoert”, zegt Ticiana. “Op Sal is geen bron, ons eiland is een miniwoestijn. 365 dagen zien we geen spat water, het is onmogelijk om iets te cultiveren. Alles wat je hier eet en elk voorwerp je gebruikt, importeren we vanuit de Canarische eilanden en Brazilië, waar ook het water vandaan komt”, bevestigt de Kaapverdische. Dit materiaal komt toe in Palmeira. De haven van Sal is volgens westerse normen een eenvoudig vissersdorpje naast Espargos, de hoofdstad van het eiland. Al het leidingwater wordt er ook gemaakt in een fabriek die zeewater zuivert. Tijdens mijn verblijf viel de fabriek drie namiddagen stil, daarom liep ik enkele avonden nog vol zonnecrème in het restaurant. Ook worden hier heerlijke langoustines gevangen. De stad Espargos ligt op twee kilometer van de luchthaven. Hier vind je de meeste inwoners op Sal.
“No stress = all-inclusive”
Vier eeuwen lang werd er op Sal zout uit het zeewater gewonnen totdat de laatste zoutziederij uit elkaar viel. Er werd noodgedwongen beroep gedaan op visvangst. In Santa Maria op het eiland Sal komen de vissers op hun dooie gemakje om half twaalf binnengevaren. Alles draait hier op een trager tempo. Zoals de animators in mijn hotel riepen: “No stress is all-inclusive”. De vis komt toe en ligt in kratjes op het strand naast de bootjes. Er is geen vismarkt. Het is een magere oogst. Steeds meer vissen Japanse vloten de kusten leeg. Nu is toerisme de hoofdverdienste. Hun republikeinse president Pedro Verana Pires brengt het land naar betere welvaart door grote hotelketens naar Kaapverdië te lokken. De archipel is een bedreigd paradijs met als vijand het toerisme dat alle authenticiteit wegveegt. Op de toeristische eilanden wonen talrijke immigranten. Sal is een immigranteneiland met een zeer jonge bevolking van gemiddeld twintig jaar. Even wandelen door Santa Maria en je maakt in no time kennis met de nieuwe inwijkelingen. Een Senegalees op het strand klampt aan elke toerist. Senegalezen zijn opvallend donkerder dan de koffiekleurige mulatten Kaapverdianen. De plaatselijke bevolking is schuw. Ze kunnen moeilijk converseren met de toeristen en voelen zich wat in hun rust verstoord door de plotselinge massa’s bezoekers. Die verlegenheid wordt ruimschoots vergoed door de Senegalezen. Ze kennen dikwijls enkele woorden Frans of Engels en plakken aan de wandelaars. Mijn nieuwe Senegalese vriend heeft blijkbaar overal familie in België: een broer in Antwerpen, een tante in Luik en zelf woonde hij drie jaar in Brussel? Nadien word ik uitgenodigd op de doop van zijn pasgeborene om meter te worden, tijdens zijn speech leidt mijn amigo me mee naar zijn factory of winkeltje waar hij houten olifanten, Afrikaanse maskers en schilderijen verkoopt om zijn grote kroost te voeden. Het kost me tien euro om hem af te schudden.
Swingende kerkgangers
Na een kort bezoek aan de plaatselijke post, waar bedienden constant stempels drukken en een luid zoemende ventilator koeling verschaft, bezoek ik de protestantse viering in de kerk. Bij het binnengaan bots ik op een bekend gezicht uit mijn hotel. Animator Jorge Andrada Cardeso woont op zijn vrije dag de mis bij. In kleurige Afrikaanse stoffen en maatpakken stromen gezinnen de kerk binnen. Ik val het meest op totdat er een troep schuchtere Duitsers met hun camera achter het hoekje verschijnt. Jorge steekt me een bijbel toe en we nemen plaats achteraan in de kerk. Het gebrabbel van de priester is creools, de spreektaal van de bevolking. Plots maakt de man een bombastisch gebaar. Op dat signaal wacht het koor naast hem en de zangers steken van wal. Swingende gospels volgen elkaar op. Groot en klein feest mee en er wordt gedanst op de livemusic. De Kaapverdianen zijn meesters in het maken van sfeer en plezier. “Dit is een echte Kaapverdische viering in het Creools, de niet-officiële taal. Portugees, de officiële taal, wordt op school geleerd en gesproken, maar omdat de armen niet naar school gaan, kan niet iedereen Portugees. Creools is een mengeling van Engels, Spaans, Portugees, Frans en Afrikaanse talen. De taal zonder grammatica groeit iedere dag en ontwikkelt zich verder op elk eiland apart, zodat mensen van verschillende eilanden elkaar soms niet verstaan.”, aldus Jorge.