Feeds:
Berichten
Reacties

In een wirwar van straatjes op t’eilandje liggen de tien eilandjes, een vaste thuishaven voor de honderden Kaapverdianen in Antwerpen. Het is een klein pand, verscholen tussen de pakhuizen van de Antwerpse westkaai waar parkinggelegenheid zat is. Wanneer je binnenkomt, valt de Kaapverdische muziekband direct op. Al nippend van het aperitief droom ik over mijn reis naar Cabo Verde. Ik voel de heimwee waarover Cesaria Evora al een halve eeuw zingt. Eu falto Cabo Verde…” Ik mis Cabo Verde.Benna, een vrolijke en goedlachse vrouw komt al flipfloppend op me af en brengt me de bestelde tapa’s. Ze test een paar woorden Portugees uit en ik haal mijn Spaans terug uit de kast. “Gracias !”Drie verschillende smaken liggen op één bord: zuur van de ansjovis, milde fetakaas en een portie pikante worst. Hoe weten de Kaapverdianen het toch te combineren?Cabo’s komen en gaan, telkens een dansje placerend om de muzikanten aan te moedigen. De ene bespeelt een keyboard en zingt, de andere haalt muziek uit zijn aftandse gitaar.Mijn heerlijke Caldeirada de Peixe smaakt beter bij de coladeira en de mazurka ritmes. De muur van het eethuis is bezaaid met foto’s uit het verre thuisland van Benna. Donkergroene muurkleuren, de plastieken klimop aan het plafond en kleurige onderleggers bevestigen mijn gevoel, ik had hier al eerder moeten komen. 

Biografie Kaapverdische eigenares: 

Benna Gomes is afkomstig van Sao Nicolau. Ze kwam in 1980 aan in Charleroi maar hield het daar na een jaar voor bekeken. Benna vond werk in Antwerpen in de horeca, eerst in een restaurant, maar later in de keuken van het Elisabethziekenhuis. Wellicht geprikkeld door het succes van haar zus, die ook een eethuis in Antwerpen openhoudt, nam ze in 2002 loopbaanonderbreking om dit eigen initiatief een kans te geven. Kaapverdië is een eilandengroep van 10 eilandjes, waarvan er 9 bewoond zijn. Dat de Kaapverdische keuken lekker is, kan je bij Benna proeven. 

De Tien Eilandjes – Dez Ilhas

Kempisch Dok- Westkaai

802000 Antwerpen

Advertenties

“Ik heb op school geleerd dat we bij Afrika horen, maar ik voel me geen Afrikaan. Ik heb alleen familie in Kaapverdië en Nederland. Dertien jaar geleden vertrok ik met de TACV vlucht Sal – Amsterdam, de reis die mijn leven veranderde. Die uren staan nog sterk in mijn geheugen gebrand. Ik was toen achttien.”
 Je jeugd heb je in Kaapverdië beleefd. Was je gelukkig?  
Mijn leven daar was goed. Ik ben geboren in Santo Antão, het mooiste en groenste eiland van onze archipel. Ik heb op Kaapverdië gestudeerd, eerst lagere school en daarna middelbaar. Vanaf het vijfde leerjaar studeerde ik in Sao Vincente. Het buureiland ligt op een uur per boot. Ik vertrok elke vakantie terug naar mijn eiland. Na mijn middelbaar werkte ik met een niet-gouvernementele organisatie (NGO) van Denemarken. Ik was verantwoordelijk voor jongeren van elf tot veertien jaar. De organisatie gaf de kinderen voedsel, onderwijs en een slaapplaats. Ik vertrok een jaar nadien en na een paar maanden was het project gedaan, de pubers waren onhandelbaar. Vroeger was er geen universiteit. We moesten een beurs krijgen van Brazilië of Portugal en dat was gereserveerd voor de kinderen uit rijke families.”
 Waarom vertrok je?
“Ik geraakte niet aan een job  dus boekte ik een ticket naar Nederland. Met een visum voor drie maanden woonde ik bij familie in Rotterdam. Daarna spoorde ik naar Brussel waar ik nog een jaar en zes maanden bleef. België bleek een rustige haven en ik settelde me in Antwerpen. Ondertussen had ik mijn papieren in Portugal gehaald. Ik verbleef zes jaar illegaal in België.”
 Rond die tijd kreeg je ook je dochter?
“Dat klopt, Emilie is zes jaar oud. We wonen nu allebei samen in Mechelen. Ik werk als bediende voor een informaticadistributiebedrijf op de logistieke afdeling in Mechelen. Mijn man vertrok drie jaar geleden. Ik besliste dat hij weg moest. Het laatste jaar kwam hij gewoon niet meer naar huis. Nu heb ik geen vriend nodig. Toch wil ik iemand leren kennen. Na de papa van Emilie had ik nog een relatie maar die werkte ook niet. Alle Kaapverdische mannen zijn zo’n macho’s. Misschien is er wel een vlotte en multiculturele Belg om met mij een leven op te starten?”
 Kook je graag Kaapverdisch?
“Ik kookte vroeger wel Kaapverdisch. Wanneer mijn man vertrok, schakelde ik over op Belgische kost, veel gemakkelijker en goedkoper. Kaapverdisch eet ik alleen bij vrienden. Mijn lievelingsgerecht is cachupa met vis, een mengeling van vis of vlees met bonen, maniok, zoete aardappelen en alle kliekjes die je nog liggen hebt. Emilie eet niet graag cachupa.”
 Zijn Kaapverdianen close met elkaar?
“In Antwerpen zijn meer dan honderd Cabo’s. Zaterdag gaat mijn vriendin Lorena Pires cachupa bereiden voor iedereen. We doen dat om de beurt. Kaapverdisch eet je niet met z’n tweeën. Kaapverdianen gaan niet uit met Belgen. Wij zijn een beetje racistisch.”
 Racistisch?
“Niet in een extreme vorm, eigenlijk gebruik ik het woord verkeerd. Ik bedoel dat we trots zijn op onze cultuur. We zijn graag bij elkaar en kunnen het best stellen in onze kleine gemeenschap. Ik ondervind vaak dat Belgen niet kunnen feesten zoals wij. Wij zien de wereld in kleuren, Belgen zien de wereld in zwart-wit met soms een tikkeltje blauw. Er wonen veel saaie pieten in Vlaanderen. Alles is hier individualistisch. Cabo’s zijn heel familiair.”
 Was de overstap van groep naar individu de grootste aanpassing in België?
“Absoluut! We zijn allemaal goede vrienden zoals een grote familie. Je komt gewoon even langs. Dikwijls spreek ik af met mijn Kaapverdische vriendinnen. Ik mis de gastvrijheid van Cabo Verde. In Santo Antão en Sao Nicolãu zijn de deuren altijd open. Heb je geen slaapplaats? Iedereen biedt je daar op Kaapverdië een bed aan.”
 Mis je jouw land niet?
“Ik ga om de twee jaar op vakantie naar Cabo Verde voor minstens zes weken. De vliegtuigtickets naar Kaapverdië zijn enorm duur. Het is gekkenwerk als ik daar maar een week zou blijven. Als ik terugkom van Cabo Verde ben ik twee weken depressief.”
 Maak je toekomstplannen om terug te verhuizen naar Kaapverdië?
“Daar denk ik dikwijls over na. Ik wil wel ooit terug, maar moet nog veel sparen. Mijn dochter is nu het belangrijkste. Emilie heeft hier haar toekomst, dat besef ik. Volgend jaar ga ik terug naar Kaapverdië met mijn vriendin Lorena en haar twee kindjes. We vertrekken in juli voor zes weken. We vertrekken vanuit Amsterdam naar Praia, in Praia overnachten we bij een nonkel. Soms gaan we vijftien dagen naar Sal, maar de meeste tijd vertoeven we in Sao Vincente en Sao Antão, mijn geboorte-eiland.”
 Je wilt dus ooit voorgoed terug?
“Misschien blijf ik hier of reis ik binnen vijftien jaar terug, zoek me dan nog eens op en je zult het antwoord weten. Hoe langer ik in België blijf, hoe moeilijker het is om terug te gaan. Ik word een vreemdeling in Kaapverdië. Mijn roots liggen daar maar mijn leven hier, hoewel ik geen familie heb in België. Het Verbelgisch-syndroom! Ik heb liever niet dat familie zonder te verwittigen aan de deur staat bij mijn verjaardag. Als ze komen voor een verjaardag dan moet ik een zaal huren. Voor een verjaardag nodig ik nooit iemand uit. De familie komt vanzelf. Feesten is leven voor ons.”
 Luister je naar Kaapverdische muziek?
“Mijn dochter en ik luisteren uitsluitend naar Kaapverdische muziek. Morna’s hoor ik het liefst, die zingen over Sodade, de weemoed naar Kaapverdië. Cesaria Evora is mijn favoriet. De nieuwere talenten zingen ook goed, maar dat is geen Kaapverdische muziek. Stijlen zoals de Batuk en Funana hebben al een westerse invloed.”
 Voel je je ook Belg?
“Ik voel me een beetje van beide. Kaapverdië zit in mijn bloed. Ik zal mijn afkomst nooit verloochenen. Kaapverdiër zijn is een eer, daarom heb ik ook beide nationaliteiten. Maar ik ben anderzijds wel een Belg. Ik spreek Nederlands, maar ook Portugees, Creools, Spaans en Frans. Toch vind ik Nederlands het moeilijkst. Germaanse talen liggen mij niet. Ik ben twee en een half jaar naar een talenschool geweest en Nederlands is zó moeilijk. De basiskennis heb ik wel onder de knie, maar mijn woordenschat kan nog veel beter.”

In de duisternis scheurt een taxi op een verlaten baan. Links en rechts gaapt het oneindige niets. In de verte schitteren zwakke lichtjes van een traditioneel dorpje. De autoradio getoblast de zwoele Afrikaanse ritmes van de Funana en de Batuk. Dit is een andere wereld.  

Dit is Kaapverdië.

  Overal zie je de plaatselijke bevolking heupwiegend bewegen als slangen, alsof ze plots in trance raken. De Kaapverdische harten kloppen op het ritme van de beat. Middenin het feestgedruis knoop ik een gesprek aan met Anne Seiler. De Duitse trouwde met een Kaapverdiaan en woont op het eiland Sal met haar twee kindjes. Anne is een zangeres die graag optreedt tijdens carnaval. “Zo’n feesten hebben ze niet in Europa, maar de Kaapverdische muziek geraakt wel stilaan ingeburgerd. De groep aanhangers van Kaapverdische muziek groeit sterk in Europa, dankzij hun twee begeesterde vertegenwoordigers”, vertelt Anne. De negenentwintigjarige muzieksensatie Suzanna Lubrano, een Rotterdamse met Kaapverdiaanse roots, voert de Zouk van het eiland Sao Tiago naar Europa. Dit jaar wordt haar vierde album uitgegeven. De bekendste barefoot diva, Cesaria Evora, is afkomstig uit Mindelo, de hoofdstad van Sao Vincente. Na haar doorbraak brengt ze de inheemse spirit de wereld rond. Ze zingt in haar Morna’s over Sodade, Creools voor weemoed. De Morna, ontstaan uit een mix van de Portugese Fado en Afrikaanse ritmes, is een bijzondere uitdrukking van de Kaapverdiaanse soul. “Het wordt traditioneel gespeeld op een akoestische gitaar, de viool en de minuscule cavaquinho. Deze kleine gitaar wordt alleen in Portugal, Brazilië en Kaapverdië bespeeld”, zegt Anne. Er zijn ook nog de populaire Funana en Batuk dansen, het traditionele ritme van het zwarte eiland Sao Tiago. 

Feesten om te vergeten

Met Ticiana Aline Fortes Mota, de negentienjarige hotelanimatrice uit het cultuureiland Sao Vincente, loop ik naar wat de dorpskern van Santa Maria moet voorstellen. Het is 21 februari, carnaval op Kaapverdië. In de verte staat een menigte uitbundig te roepen en te dansen. De bevolking bereidt dit feest al vier weken voor. Carnaval is een big deal, men heeft niets anders dan feesten om de armoede te vergeten. Elk dorp showt met een praalwagen waarop een vrouw in een kleurige Braziliaanse carnavaljurk staat. Iedereen is verkleed, de baby’s incluis. Vandaag eet iedereen steevast een feestmaal. Hieronder valt ook het nationale gerecht van Kaapverdië: cachupa, een mengeling van verschillende kliekjes groenten, kip en vlees. De lokale rum Grogue de Cabo Verde vloeit rijkelijk en het feest komt nu echt op gang. “Drinkwater is hier waardevoller dan Grogue”, benadrukt Ticiana. Plots duiken filmbeelden op: Afrikaanse vrouwen halen tientallen kilometers verder, uit een bron, kostbaar water. “Hier trekken de vrouwen elke dag met grote zandkleurige kuipen naar de hoofdbaan, wachtend op een vrachtwagen die water uit flessen aanvoert”, zegt Ticiana. “Op Sal is geen bron, ons eiland is een miniwoestijn. 365 dagen zien we geen spat water, het is onmogelijk om iets te cultiveren. Alles wat je hier eet en elk voorwerp je gebruikt, importeren we vanuit de Canarische eilanden en Brazilië, waar ook het water vandaan komt”, bevestigt de Kaapverdische. Dit materiaal komt toe in Palmeira. De haven van Sal is volgens westerse normen een eenvoudig vissersdorpje naast Espargos, de hoofdstad van het eiland. Al het leidingwater wordt er ook gemaakt in een fabriek die zeewater zuivert. Tijdens mijn verblijf viel de fabriek drie namiddagen stil, daarom liep ik enkele avonden nog vol zonnecrème in het restaurant. Ook worden hier heerlijke langoustines gevangen. De stad Espargos ligt op twee kilometer van de luchthaven. Hier vind je de meeste inwoners op Sal. 

No stress = all-inclusive

Vier eeuwen lang werd er op Sal zout uit het zeewater gewonnen totdat de laatste zoutziederij uit elkaar viel. Er werd noodgedwongen beroep gedaan op visvangst. In Santa Maria op het eiland Sal komen de vissers op hun dooie gemakje om half twaalf binnengevaren. Alles draait hier op een trager tempo. Zoals de animators in mijn hotel riepen: “No stress is all-inclusive”. De vis komt toe en ligt in kratjes op het strand naast de bootjes. Er is geen vismarkt. Het is een magere oogst. Steeds meer vissen Japanse vloten de kusten leeg. Nu is toerisme de hoofdverdienste. Hun republikeinse president Pedro Verana Pires brengt het land naar betere welvaart door grote hotelketens naar Kaapverdië te lokken. De archipel is een bedreigd paradijs met als vijand het toerisme dat alle authenticiteit wegveegt. Op de toeristische eilanden wonen talrijke immigranten. Sal is een immigranteneiland met een zeer jonge bevolking van gemiddeld twintig jaar. Even wandelen door Santa Maria en je maakt in no time kennis met de nieuwe inwijkelingen. Een Senegalees op het strand klampt aan elke toerist. Senegalezen zijn opvallend donkerder dan de koffiekleurige mulatten Kaapverdianen. De plaatselijke bevolking is schuw. Ze kunnen moeilijk converseren met de toeristen en voelen zich wat in hun rust verstoord door de plotselinge massa’s bezoekers. Die verlegenheid wordt ruimschoots vergoed door de Senegalezen. Ze kennen dikwijls enkele woorden Frans of Engels en plakken aan de wandelaars. Mijn nieuwe Senegalese vriend heeft blijkbaar overal familie in België: een broer in Antwerpen, een tante in Luik en zelf woonde hij drie jaar in Brussel? Nadien word ik uitgenodigd op de doop van zijn pasgeborene om meter te worden, tijdens zijn speech leidt mijn amigo me mee naar zijn factory of winkeltje waar hij houten olifanten, Afrikaanse maskers en schilderijen verkoopt om zijn grote kroost te voeden. Het kost me tien euro om hem af te schudden. 

Swingende kerkgangers 

Na een kort bezoek aan de plaatselijke post, waar bedienden constant stempels drukken en een luid zoemende ventilator koeling verschaft, bezoek ik de protestantse viering in de kerk. Bij het binnengaan bots ik op een bekend gezicht uit mijn hotel. Animator Jorge Andrada Cardeso woont op zijn vrije dag de mis bij. In kleurige Afrikaanse stoffen en maatpakken stromen gezinnen de kerk binnen. Ik val het meest op totdat er een troep schuchtere Duitsers met hun camera achter het hoekje verschijnt. Jorge steekt me een bijbel toe en we nemen plaats achteraan in de kerk. Het gebrabbel van de priester is creools, de spreektaal van de bevolking. Plots maakt de man een bombastisch gebaar. Op dat signaal wacht het koor naast hem en de zangers steken van wal. Swingende gospels volgen elkaar op. Groot en klein feest mee en er wordt gedanst op de livemusic. De Kaapverdianen zijn meesters in het maken van sfeer en plezier. “Dit is een echte Kaapverdische viering in het Creools, de niet-officiële taal. Portugees, de officiële taal, wordt op school geleerd en gesproken, maar omdat de armen niet naar school gaan, kan niet iedereen Portugees. Creools is een mengeling van Engels, Spaans, Portugees, Frans en Afrikaanse talen. De taal zonder grammatica groeit iedere dag en ontwikkelt zich verder op elk eiland apart, zodat mensen van verschillende eilanden elkaar soms niet verstaan.”, aldus Jorge.